De buitenkeuken

Ik was laatst in een kampeerwinkel waar een aanzienlijk deel van de beschikbare vloerruimte was ingeruimd voor alles wat een mens zoal op het terras heeft staan. Als inwoner van een stadscentrum kan ik uitsluitend aanspraak maken op een min of meer vaste plek op het terras van het aanpalende horeca-etablissement en als zodanig heb ik mij dan ook nog nooit bezig gehouden met een verschijnsel dat de laatste jaren hardnekkig de kop op lijkt te steken: de buitenkeuken.

Om eerst nog even duidelijkheid te verschaffen over wat ik in vredesnaam in een kampeerwinkel heb te zoeken, ik houd van de natuur. Dan kan ik natuurlijk pretenderen dat ik, geheel in stijl met de huidige trends, zelf mijn voedsel bij elkaar ga scharrelen. Maar niets is minder waar. Ik vind het gewoon heel erg aangenaam om met mijn tentje op een rustige camping te staan. Boek mee, fles wijn mee en vervolgens genieten van het grote nietsdoen. Maar dit terzijde.

De buitenkeuken dus. Een bijzonder fenomeen, in mijn ogen. Als ik in de buitenwijken van de stad waar ik in woon ga kijken dan word ik overwegend geconfronteerd met tuintjes die kleiner zijn dan de meeste buitenkeukens die ik heb gezien. Desalniettemin zag ik bij de kampeerwinkel menige kerel kwijlend staan kijken bij grote glimmende apparaten met enorm veel chroom en knoppen en toen viel bij mij het kwartje; de buitenkeuken is het alternatief voor de sportwagen!

Voor de meesten van ons blijft de aanschaf van een Ferrari, Porsche of welk ander automerk jou dan ook laat wegdromen, voor altijd een droom. Maar mannen blijven mannen. Onze primaire behoefte aan machines, chroom, knoppen en lampjes moet hoe dan ook bevredigd worden. Zie daar het succes van de buitenkeuken. Iedere zichzelf respecterende vent gaat onmiddellijk met houtskool en dieselolie aan de gang als de temperatuur de 18 graden overstijgt en de barbecuepakketten bij de plaatselijke supermarkt weer in de aanbieding zijn. Fikkie stoken zit in ons in het bloed en aangezien er in het dagelijks verkeer niet veel mogelijkheden zijn om ongestraft ergens de fik in te steken, storten we ons massaal op de barbecue. Van daar is het natuurlijk maar een kleine stap naar de buitenkeuken. En het zal geen toeval zijn dat de luxere varianten van deze mannelijke verlengstukken merknamen hebben als Boretti en Weber, toch? En zo zal het ook geen toeval zijn dat deze even fraaie als nutteloze tuinornamenten net als hun automobiele tegenhangers volgehangen zijn met even fraaie als nutteloze functies en gadgets. Mannen blijven mannen, en we geven ons geld het liefst uit aan glimmende en rokende zaken.

Dus, nu de subsidie op pseudo milieuvriendelijke auto’s is afgeschaft en oldtimers ook niet meer met een normaal inkomen te verantwoorden zijn gaan we ons in het weekeinde niet langer vergapen in de showroom van de plaatselijke autodealer, maar we gaan naar de kampeerwinkel om verlekkerd te staren naar een buitenmaatse barbecue met een spit groot genoeg om een hele eland aan te rijgen en meer knoppen en metertjes dan de cockpit van een Dreamliner 787. Want dat wij als mannen blinkende speeltjes nodig hebben, dat staat vast. En als jullie mij nu willen excuseren, ik ga mijn ’66 Electra Glide poetsen.