Culinair Nederland

De laatste jaren, voor onze onvolprezen regering besloot dat de oplossing voor de bestrijding van de pandemie lag besloten in het vernietigen van de Nederlandse horeca, lazen we nogal eens dat we in ons land goed op weg waren qua kennis en kunde op culinair gebied. Een gezond aantal zaken met waardering van de dames en heren van de rode gids, meer en meer vrouwen en mannen die hobbymatig graag eens wat knaps op tafel willen zetten, de lancering van een niet aflatende stroom van kookboeken en kookprogramma’s op de buis. Het wees allemaal op een trend waarbij het volk van zoute haring en stamppot evolueerde tot een volk van connaisseurs op het gebied van wijn en spijs.

Vanzelfsprekend maakt mijn hart bij dit soort nieuws een sprongetje van vreugde. Als rechtgeaarde* Bourgondiër wens ik iedereen om mij heen het genot van een goede maaltijd en een lekker glas wijn. En wat mij betreft begint dat met een beetje begrip van wat je op je bord hebt of wat er in je glas klotst. Hoera dus voor deze positieve ontwikkeling.

Maar zoals wel vaker blijkt er een discrepantie te bestaan tussen wat de media ons voorspiegelen en de dagelijkse praktijk. Want alle mooie verhalen in de Linda ten spijt, de gemiddelde Nederlander begrijpt er nog steeds helemaal niets van. Het enige dat we in al die jaren van kookboeken kopen en Masterchef© kijken hebben bereikt is dat de toch al eigenwijze Nederlander nu denkt dat hij of zij een culinaire God is die ongevraagd advies mag geven en voedsel mag bekritiseren alsof hij in de jury van een kookwedstrijd heeft plaatsgenomen.

Ik word nog wel eens gevraagd om een keukenbrigade te komen versterken. Niet zo heel vreemd voor een freelance kok en daarbij vind ik dat ook nog erg leuk om te doen. En door de jaren heen heb ik daardoor de meest vreemde commentaren van gasten voorbij horen komen. Maar onlangs viel zelfs mijn mond tot op de grond open bij het horen van wellicht het meest bizarre commentaar sinds lange tijd. Een opmerking die illustratief is voor hoe wij er werkelijk voorstaan in culinair Nederland. Ondanks alle inspanning van de Nederlandse horeca om zonder personeel en met grondstofprijzen die dagelijks stijgen iets lekkers op tafel te zetten, blijft de gemiddelde Nederlander een heikneuter, die zodra hij of zij een restaurant instapt hopeloos door de mand valt. Begrijp mij niet verkeerd, van mij hoeft niemand in staat te zijn de creaties van onze topchefs tot op het laatste ingrediënt te ontleden. En als je niet precies weet waar de Diamanthaas zich bevindt als je bezig bent om een rund te ontleden dan heb ik daar ook begrip voor. Ik kan mijzelf zelfs inhouden als je vraagt of de hele zeebaars graatloos is en bij een verzoek om glutenvrije hondenkoekjes. Maar, en ik verzin dit niet, als je een volmaakte Carpaccio terugstuurt met de mededeling dat hij te rauw is en de kleur niet aan je exquise smaak voldoet, dan verlies ik zelfs een heel klein beetje mijn geduld.

*met ‘rechtgeaard’ wil ik geenszins de lhbtiq+ gemeenschap onrecht aandoen. Wat mij betreft mag je ongeacht je voorkeur voor wie of wat je wil zijn of met wie of wat je het wil doen lekker komen eten. Het bijvoeglijk naamwoord wordt hier uitsluitend overdrachtelijk gebruikt. Dit is geheel te wijten aan het feit dat ik uit de tijd ben dat politieke correctheid nog niet was opgenomen in de Dikke van Dale. (waarbij ik mij nu dus afvraag of ‘Dikke’ eigenlijk wel kan.