Allergie of aanstellerij?

Ik ben uit de tijd dat allergie voor voedsel nog niet bestond en aanstellen mocht ik als kind uitsluitend één dag per jaar, als ik veinsde dat ik griep had en dus niet naar school kon. Verder moest ik gewoon niet zeuren en vrat ik nagenoeg alles wat me werd voorgezet.

Desalniettemin heb ik wel degelijk ontdekt dat ik allergisch ben voor sommig voedsel. Van nagenoeg alle kant-en-klaar maaltijden krijg ik braakneigingen, van sauzen in potjes krijg ik zweetaanvallen en van voedsel dat niet met enige mate van plezier is bereid krijg ik rode vlekken op mijn rechteroor. Wellicht dat men daar rekening mee kan houden in de Nederlandse horeca. Net zoals met de schijnbaar voortdurend aanwassende groep overige allergieën. Want het lijkt wel of een groot deel van de bevolking het afgelopen decennium één of meerdere voedselallergieën bij zichzelf heeft ontdekt. Mensen die tot voor kort alles zonder duidelijke bijverschijnselen naar binnen schoven, blijken nu ineens schadelijke gevolgen te ondervinden van van alles en nog wat. En ik mag het natuurlijk niet zeggen, maar ik twijfel dan toch vaak tussen allergie en aanstellerij.

Met de komst van het onvolprezen Google en de daarmee gepaarde mogelijkheid tot zelfdiagnose is de wereld overspoeld geraakt door voedselhypochonders. Tel daar de enorme hoeveelheid tegenstrijdige berichten over wat gezond voor je is en wat niet bij op en de mens is in opperste verwarring en neemt allerlei kwalen bij zichzelf waar. Hoe komt het toch dat steeds meer mensen lactose-intolerant zijn, glutenvrij moeten eten of andere eisen hebben die het leven van een kok er niet makkelijker op maken? Is dit het gevolg van voortschrijdend wetenschappelijk inzicht of het gevolg van een maatschappij waarin iedereen vind dat hij pas mee telt als hij afwijkt van de massa?

Begrijp me niet verkeerd; een ieder met een medisch vastgestelde afwijking die tot gevolg heeft dat je niet vrij bent om te eten wat je wilt is een beklagenswaardig mens. Maar het wordt zo langzamerhand verrekte lastig om voor een gezelschap van een man of zes een maaltijd op tafel te zetten die tegemoet komt aan alle, al dan niet zelfopgelegde, restricties. Het is dat er bij ons thuis geen zelf meegebrachte etenswaren mogen worden genuttigd, anders wist ik het wel. Het enige wat bij mijn disgenoten blijkbaar nooit tot enige vorm van uitslag of ongemak schijnt te leiden is de consumptie van grote hoeveelheden wijn. Om het even of ze geen noten mogen of gaan schuimbekken van een kippenei, ze zeggen nooit “nee” tegen het volgende glas wijn. Dat heeft overigens wel één groot voordeel, ze worden er zeer tolerant van.